free web hosting | free hosting | Business Hosting Services | Free Website Submission | shopping cart | php hosting
Een interview met Wim van Binsbergen

CULTUREN BESTAAN NIET
Implicaties voor de multiculturele samenleving

Uit: BIJEEN: Mensen in een kleurrijke samenleving,
november 1999, jg. 32, pp. 6-9
tekst: Jan Landman; beeld: Raymond Taudin Chabot


Een kwart eeuw zwierf hij als antropoloog door Afrika. In Zambia schopte hij het tot aangenomen zoon van koning Kabambi Kahare en in Botswana tot erkend waarzegger- priester-genezer, ofwel sangoma. Hij was hoogleraar culturele antropologie en is sinds kort intercultureel filosoof. Als iemand verstand heeft van culturen, zou je zeggen, dan is het wel professor dr. Wim van Binsbergen. Maar uitgerekend hij zegt: “Culturen bestaan niet.”

De dunne kralensnoertjes om zijn polsen zijn het enige ‘vreemde’ aan de aardige, ietwat weerloze man die tegenover me zit. Zijn werkkamer biedt uitzicht op de Rotterdamse Maas. Hij is heel ontspannen, terwijl de filosofieprof het toch razend druk heeft. Wim van Binsbergen is namelijk ook nog onderzoeksmanager op het Afrika-Studiecentrum in Leiden, vader van vijf kinderen, schrijver van wetenschappelijke boeken, gedichten en zelfs romans, en hij heeft een - heel kleine - praktijk als sangoma, waarzegger-priester-genezer. De grote vraag is hoe hij in een tijd waarin iedereen de mond vol heeft van culturen en cultuurverschillen, het bestaan van culturen kan ontkennen. “Cultuur in de betekenis van een totale, allesomvattende zijnsvorm, waarbinnen iemands hele identiteit gedefinieerd kan worden, bestaat gewoon niet. Stel dat ik zeg: ‘Ik ben Nederlander. En alle mensen die dat niet zijn, die geen boerenkool met worst lusten, hebben geen smaak, kleden zich gek, zijn heel anders dan ik... dan klopt dat van geen kant. Want ook ik ben niet puur Nederlands: ik zie Amerikaanse films, rijd in een Japanse auto, draag een Italiaans pak en ook de mensen met wie ik omga zijn niet allemaal Nederlands. Mijn Nederlanderschap is maar een heel klein deeltje van mezelf, dat ik alleen op bepaalde momenten en in bepaalde situaties naar voren schuif. Maar op de meeste momenten en in de meeste situaties ben ik helemaal niet etnisch aanspreekbaar, maar gaat het om mijn identiteit als medemens, als man, als onderzoeker, als broer, als vader, als buurman of als voorbijganger. Bovendien, ga in een willekeurige Nederlandse familie twee of drie generaties terug en je belandt bijna zeker in het buitenland. Het hele idee van etnische ‘culturen’, waarmee je in de multiculturele samenleving je eigen identiteit moet beleven en uitdragen, is kunstmatig en onjuist. Het is een product van het politieke concept dat achter de ‘multiculturele samenleving’ zit.”

Waarom hanteren we dan zo graag dat begrip cultuur? 

“Om vele redenen. Ook goede redenen. Het begrip cultuur is een bevrijdend wapen geweest in de handen van mensen die in de koloniale tijd protesteerden tegen de Eurocentrische, racistische ontkenning van de medemenselijkheid van ‘koloniale onderdanen’. De ideečn van de ‘inlanders’ over moraal, kleding, religie, bestuur, wereldbeeld, kinderhuwelijken en polygamie werden toen opeens opgewaardeerd tot aspecten van een totaalpakket, een eigen systeem; een ‘cultuur’ dus. En het zogenaamde cultuurrelativisme zei: ‘Culturen zijn verschillend, maar wel gelijkwaardig’. Akkoord. Maar de volgende stap is dat je die cultuurverschillen gaat verabsoluteren en mensen reduceert tot niets anders dan dragers van die eigen, specifieke, onderscheidende cultuur. En daar ga ik niet mee akkoord. “Nu die mensen met die zogenaamd andere culturen niet meer ver weg wonen maar hier in Nederland, pinnen we ze nog steeds voortdurend vast op hun anders-zijn. Terwijl alleen al het feit dat ze hier wonen en meedraaien, betekent dat ze helemaal niet zo anders zijn. Ze gaan ook met de tram, dragen ook spijkerbroeken, doen ook aan sport. Ze zijn in de meeste opzichten dus gewone leden van dezelfde samenleving. Maar allochtonen, asielzoekers en migrant en worden nu heel duidelijk neergezet als dragers van een eigen, specifieke cultuur en we bevestigen dat op allerlei manieren, met een cultuurbeleid, een kunstbeleid, een welzijnsbeleid enzovoort. Dat is een hele industrie. Er zijn allerlei mensen, het middenka der, die illusies van grote, op cultuur gebaseerde, ingebakken verschillen tussen mensen in een multiculturele samenleving zwaar aanzetten. Dan kunnen we immers weer een leuk wijkfestival organiseren, of leuke dansgroepjes op het podium zetten. Dat is misschien goed om de mensen van de straat te houden, maar het is tegelijkertijd een valkuil. Want het gevolg is een sterke beeldvorming van ‘zij zijn anders’, ‘anders dan wij Hollanders’. Terwijl je dus met iemand omgaat als medemens en partner, klasgenoot, collega, buurman, kun je hem tegelijkertijd gaan zien als de verpersoonlijking van ‘het andere’. Het gemeenschappelijke verdwijnt uit beeld.”

Hoe gevaarlijk is het verabsoluteren van cultuur? 

Als de extreem-rechtse Haider in Oostenrijk grote verkiezingswinst boekt, worden nazi-Duitsland en de holocaust in herinnering geroepen. Of de etnische zuiveringen in Bosnič, Kosovo, Rwanda. “Het grote probleem van onze tijd is het denken in termen van etnische, subnationale, quasi-historische, quasi-genetische identiteit. Een denken dat deze eeuw explosief is toegenomen, vooral door het afkalven van de nationale staat. Wat dan namelijk rest is het idee dat er nog ergens een ruimte moet zijn waarin we ons kunnen terugtrekken, de etnische identiteit. Dat is vooral een denkbeeldige ruimte, want tegelijk zijn in diezelfde mens talloze andere identiteiten aanwezig. “Daar komt bij dat heel veel etnisch pathos te maken heeft met wat ‘ons’ is aangedaan. Lijden uit het verleden. In de multiculturele samenleving kan ‘die ander’ dan iemand worden uit de groep die ‘ons’ dat en dat heeft aangedaan. Zie de Balkan. Oude ressentimenten kunnen generaties lang resoneren. Wij hebben dat ook. Ik ben kort na de oorlog geboren en ik kan wel roepen ‘culturen bestaan niet’, maar in dat deel van mij dat nog een kinderhartje is, maak ik graag een uit zondering voor Duitsland. Ik kan dat nu goed relativeren, maar juist in het infantiele deel, dat ieder volwassen
mens heeft, nestelen zich onverwerkte ressentimenten. Ze liggen als het ware klaar om opgeroepen, geactiveerd te worden. En daarin zie ik het grootste gevaar. Dan zeg ik liever: mensen, een eigen cultuur is mooi, maar onthoud in godsnaam dat het maar een deelaspect van ieder mens is.”

Staatssecretaris Van Boxtel zegt in zijn nota Kansen krijgen, kansen pakken ondermeer dat de overheid minderheden het recht niet mag ontzeggen hun eigen cultuur te beleven. Dat klinkt toch heel onschuldig? 

“Nou, dan gaan bij mij de haren toch overeind staan. Kijk, als uitnodiging tot een onderhandelingsproces is het mooi. Maar wie bepaalt de reikwijdte van ‘cultuur’? In de brede, allesomvattende opvatting van cultuur, die ik dus verwerp, kun je zo’n stelling zien als een uitnodiging aan minderheden om zoveel mogelijk te claimen binnen dat - nu kennelijk vrijgegeven - domein van hun cultuur. Meisjes niet meer naar school? Je vrouw slaan? Bedenk het maar. Ik vind het een gevaarlijke uitspraak, die niet betekent wat hij lijkt te betekenen.” En staatssecretaris Van der Ploeg dan, die met zijn kunstbeleid confrontaties wil, botsingen tussen culturen? “Dat vind ik een veel rečler standpunt, maar ik zie niet waarom het zo erg in het conflictmodel getrokken moet worden. Zelf heb ik, ik zou bijna zeggen als geen ander, grote praktische ervaring in interculturele participatie. Ik weet van een drietal Afrikaanse gemeenschappen tot in de finesses hoe iemand van mijn leeftijd en geslacht zich daarbinnen dient te gedragen. Dat waren lange, pijnlijke leerprocessen, maar die heb ik nooit als conflict of botsing gezien. Het wordt een conflict als je dat culturele als het totaal andere ziet. Dus je verwacht botsingen, of roept ertoe op, omdat je er al van uitgaat dat de ander heel anders is. Ik denk dat een groot deel van een mensenleven bestaat uit een zwalken tussen het beleven van de ander als ‘ de ander’ en het opheffen van het ‘anders-zijn’ van de ander en van jezelf in de ontmoeting. Dat hoeft niet altijd zo nodig een botsing te zijn. Maar waarschijnlijk bedoelt Van der Ploeg dat ook wel.” Hij ziet die botsingen uiteindelijk leiden tot een blended culture, een soort fusiecultuur... “Blended culture! Dat smaakt voor mij erg naar een eenheidsworst. Ik zie mensen juist overal steeds meer ver schillen construeren, op alle mogelijke gebieden. Geen wezenlijke verschillen, maar veelal uiterlijke, juist om aan te geven wie of wat ze (willen) zijn. Een jongen met een hanenkam of ik (hij wijst naar zijn pols) met mijn kraaltjes. Maar die verschillen worden niet voorgeschreven door een cultuur. Het zijn juist tekenen van de postculturele, vrije keuze in een multiculturele samenleving. Want mensen eigenen zich dan cultuurelementen toe uit Suriname, uit Afrika, of uit Drenthe. Maakt niet uit.”

Wim van Binsbergen praat en schrijftal zijn leven lang graag en vlot, al wemelen zijn betogen nu van wetenschappelijk jargon. Hij kijkt terug op een jeugd waar menig romanschrijver ‘jaloers’ op zou zijn.

Verminkt, zegt hij zelf, kwam hij uitzijn jeugd. Uit een verscheurd gezin vol verwantschappelijke drama’s rond incest, geweld, wanhoop en generaties lang ontbrekende vaderfiguren. “Toen ik in 1968, 21 jaar oud, als aankomend antropoloog naar Tunesič ging, was dat niet een keuze, maar een vlucht, een zoeken naar een thuis.” Hij vond dat uiteindelijk bij het Nkoya-volk in Zambia, werd er de aangenomen zoon van een koning(een vaderfiguur?). Hij deed er onderzoek, schreef er boeken over, promoveerde en kreeg naam. Maar het conflict tussen zijn groeiende persoonlijke betrokkenheid bij de mensen die hij bestudeerde, en de rationele, afstandelijke wijze waarop hij daarover moest rapporteren, leidde eind jaren ‘80 tot een crisis. “Ik kwam vanuit Zambia naar Botswana en werd daar afgewezen omdat ik gezien werd als verwant aan de blanke Boere uit het Zuid-Afrika van de apartheid. In mijn ontreddering door deze afwijzing wist ik niets anders meer dan me als patičnt aan te melden bij de plaatselijke genezers, bij wie ik welkom was. Ik werd lid van hun cultus, genas en eindigde als een van hen; als priester-genezer, als sangoma. Dit kralensnoer om mijn arm verwijst daarnaar. Toen was ik niet meer die Boer, maar Johannes Sibanda, aanhanger van een Afrikaanse religie.” Dat was begin jaren ‘90. Gezien een aantal voor hem onaanvaardbare praktijken brak hij met de cultusbeoefenaars. “Maar niet met mijn Nkoya-familie en vrienden en ook niet met mijn sangomaschap.” Hij nam afstand   van de antropologie. “Ik vond het walgelijk om me nog langer te conformeren aan die westerse, analytische rationaliteit, waarmee wij precies weten hoe hun leven, religie en cultuur in elkaar zitten - namelijk als domme Afrikaanse constructies. Dat betweterige wijs ik af!” En hij brak met de traditionele opvattingen over culturen. “Als culturen zo doordringbaar zijn, dat ik er in Afrika wel drie terdege heb leren kennen, den kun je natuurlijk niet echt zeggen dat ze niet bestaan, maar wel dat ze niet zijn wet we dachten dat ze zijn, namelijk een totale samenvatting van het menselijk zijn van een bepaalde groep mensen.”

Het is opvallend hoezeer uw persoonlijk leven en uw wetenschappelijke ontwikkeling samenvallen. 

“Het gebeuren in Botswana was een fase in mijn leven. Ik was er intussen wel achter dat die wanhopige constructie van een ander thuis, ver weg van het afschuwelijke thuis dat ik had gekend, veel zegt over mijn eigen zwalken en onzekerheid toen. En inmiddels was ik in Nederland echtgenoot, vader van kinderen en had ik ook hier dus een thuis. Maar de wetenschappelijke ideečn die ik ontwikkelde, hadden ook te maken met een fundamentele stellingname ten aanzien van het waardevolle en de integriteit van die andere wereld die de mensen daar in Afrika voor zichzelf gecrečerd hadden. “Tegelijk kwam ik er door onderzoek achter, dat de interpretaties van de houten tabletten en de orakelstenen die in Botswana door de waarzeggers gebruikt worden, aanpassingen waren van 10de-eeuwse Arabische magie. Soortgelijke en verwante systemen bleken in heel Afrika, en ook in het Midden- en Verre Oosten voor te komen. In laatste instantie kun je aantonen, dat het Arabische systeem weer is afgeleid van de Chinese I Tsjing, dat nu weer op een eigen manier via New Age en Jung bij ons is teruggekomen. Zo uniek en oorspronkelijk was zelfs zo’n cultuur daar helemaal in het zuiden van Afrika dus niet.”

U bent toch ook betrokken bij een discussie over de Griekse cultuur die het Zwarte Athene-debat heet? 

“Ik vind dat een zaak van wereldhistorisch belang. De Zwarte Athene-gedachte gaat ervan uit dat de Griekse beschaving, voor ons het beginpunt van de Europese beschaving, helemaal geen beginpunt was, maar voortgekomen is uit het oude Mesopotamič aan de ene en het oude Egypte aan de andere kant. Maar dan zet ik als Afrikanist de volgende stap, want de Egyptische beschaving was een product van Afrikaanse inspiratie, vijfduizend jaar geleden. en van Afrikaanse modellen. Kijk, dan heb je in de cultuurgeschiedenis opeens een heel andere plek voor Afrika ingeruimd. Je mag dat ook weer niet Afrocentrisch uitleggen, alsof alles dus in Afrika begint. Dat is niet waar. Het gaat er mij om, dat de wereldgeschiedenis beschouwd moet worden als een lang proces van wederzijdse beďnvloeding van vele, veelvormige beschavingscentra. En niet als een tot wasdom komen en zich over de hele wereld verbreiden van de genialiteit van het Noordatlantisch deel van de wereld.”

Hoe moeten hier de verschillende culturele groepen nu met elkaar omgaan, zonder het gevaar te lopen steeds meer ‘anderen’ voor elkaar te worden? 

“Als ik roep ‘culturen bestaan niet’, zeg ik dus ook dat multicultureel Nederland geen arena is waarin verschillende culturen bepakt en bezakt zijn binnengelopen. Die ‘culturen’ zijn gecrečerd omdat er een arena is, waarin de verschillende spelers zo nodig in hun eigen rollen onderscheiden moeten worden. De communicatie begint niet als een cultureel debat, maar als een strijd om posities, belangen en privileges binnen een begrensde politieke ruimte. Daarin gaan ideečn over culturele en etnische identiteiten zich vastzetten en een eigen leven leiden. De communicatie moet veel informeler, en steeds in het besef dat dragers van een etnische identiteit ook nog een heleboel andere identiteiten hebben. Ik ben veel blijer met een bijeenkomst waar toevallig bruine, zwarte en blanke bewoners van een wijk over een gemeenschappelijk onderwerp aan de praat zijn, dan wanneer ze dat doen in een zorgvuldig opgebouwd wijkgebeuren, waarin de een de koekjes van de ander eet en de derde de soep van nummer vier. Het idee achter zo’n geregisseerd wijkgebeuren is; als de overheid al die verschillende minderheden maar een plek geeft en expliciet met name noemt, dan zijn we goed bezig. Maar door dat te doen, crečer je juist verschillen en verhard je ze. Ga er toch gewoon van uit dat het allemaal mensen zijn en doe op die grond een beroep op ze. En geef, als je een grote bek krijgt, een grote bek terug. Denk niet: hij heeft het al zo moeilijk in die minderheidsgroep. Erken die ander als medemens.”

Wat moet de politiek volgens u doen?

“Ik denk dat het huidige minderhedenbeleid en de multiculturele inrichting van de samenleving in brede lagen van de bevolking niet genoeg steun en begrip ontmoeten. Dat komt doordat mensen onvoldoende betrokken worden bij de besluitvorming in deze. Er wordt te weinig gedaan om steun en begrip te krijgen. De basis van het minderhedenbeleid is een op zichzelf respectabele opvatting over een integere invulling van mensenrechten. Maar hoe politiek geloofwaardig is dat? En het ontbreken van steun en begrip heeft nog geen kritische grenzen bereikt, maar het is wel een tijdbom. Nu komt het erop aan of een overheid het minderhedenbeleid blijft benaderen vanuit de eigen cultuur van minderheden, of gaat benaderen vanuit een erkenning dat die culturele oričntaties zich af en toe, hier en daar moeten kunnen manifesteren en ruimte krijgen. In het eerste geval dwing je de migranten om zich cultureel vooral anders op te stellen. In het tweede laat je ze de keuze om, afhankelijk van de situatie, zich al dan niet cultureel ‘anders’ op te stellen. “De manier waarop immigranten hun eigen cultuur uitdragen, heeft heel sterk te maken met de wijze waarop Nederlanders de multiculturele samenleving definičren. Heel wat mensen hebben er rečle belangen bij dat culturen als het ware worden verklaard tot de (versteende) hoogste, uitermate te respecteren uitdrukking van de identiteit van een groep. En die laten een mijnheer met kraaltjes om zijn pols niet zeggen dat culturen niet bestaan. Toch is mijn boodschap dat cultuur, of beter culturele specificiteit, weliswaar een manier is waarin het mens-zijn zich manifesteert, in een bepaalde vorm en binnen een bepaalde context, maar dat je die niet mag verabsoluteren.”

U bent een priester genezer van de Nkoya-religie.[1] Hoe rijmt u dat met al uw andere ‘culturele specificiteiten’? 

“Ik kan heel goed die voorouders, heiligdommen en offers relativeren. Daar heb ik tenslotte voor geleerd. Maar wat ik ook geleerd heb, is nog even te wachten met relativeren, en ruimte te laten aan iets dat aan al het mensenwerk ontstijgt. Ik heb een heiligdom in mijn achtertuin en ben daar een paar keer in de week eventjes bezig. Maar ik ben van huis uit katholiek en misschien ben ik dat nog wel. Als het vliegtuig opstijgt of landt, bid ik weesgegroetjes tot Maria. Tegelijk is Sidi Mhammad, een heilige uit een Tunesisch dorp waar ik dertig jaar geleden werkte, de patroonheilige van ons gezin. Of je dat interculturele religiositeit kunt noemen, weet ik niet, maar het is wel zo dat ik me nooit zozeer verlost heb gevoeld van mijn anderszijn als antropoloog en gast in Afrika, dan tijdens de religieuze rituelen.” 

 


[1] Deze formulering van de interviewer is niet geheel correct, zoals al uit het bovenstaande blijkt. De sangoma-religie speelt een grote rol in Zuidelijk Afrika van Zimbabwe tot aan de Kaap, en verbreidt zich pas de laatste jaren naar Zambia. Zij is niet te kenschetsen als ‘Nkoya-religie’ – de Nkoya wonen in Zambia, en het is vanuit de Nkoya context dat Wim van Binsbergen zijn afgewezen worden in Botswana als ‘ander’ en als erfvijand niet kon verkroppen, om dit op te lossen door Botswaans waarzegger-priester-genezer (sangoma) te worden. 

homepage

page last modified: 06-03-02 15:42:44

 

page last modified: 06-03-02 15:42:44